2.3 Taken en verantwoordelijkheden

1
2.3.1 De Directeur

De directeur geeft uitvoering aan hetgeen in de intentieverklaring is omschreven en stelt de leiding­gevenden en de werknemers in het bedrijf in de gelegenheid hun arbotaken naar behoren te verrichten; ondersteunt en stimuleert hen daarin op de volgende wijze:

  1. De directie laat het onderwerp ‘arbeidsomstandigheden’ als vast agendapunt opnemen bij de periodieke overlegvergaderingen. Hij verplicht de deelnemers zich hierop voor te bereiden, zodat relevante informatie ter tafel komt, die zo nodig tot aanpassing van het beleid kan leiden.
  2. De directie ziet erop toe, dat iedere leidinggevende of werknemer zijn taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot arbeidsomstandigheden, op de juiste wijze uitvoert en treedt zo nodig corrigerend op.
  3. De directie stopt zo nodig, uit veiligheids- en gezondheidsoverwegingen, bepaalde werkzaamheden en stelt machines, gereedschappen, hulpmaterialen en dergelijke buiten bedrijf tot er afdoende maatregelen zijn genomen.
  4. De directie inventariseert de knelpunten in het kader van de arbeidsomstandigheden bij het bedrijf of hij laat deze inventariseren en stelt deze op schrift.
  5. De directie evalueert deze knelpunten met de Ondernemingsraad. Vervolgens stelt hij de prioriteiten vast en maakt een Plan van Aanpak.
  6. RPS is verantwoordelijk voor een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij de arbeid. De directie zal zich daarbij minimaal houden aan de verplichtingen gesteld in de Arbowet en de daarbij behorende besluiten.
2
2.3.2 De Leidinggevende

De leidinggevende is verantwoordelijk voor het op de juiste wijze naleven en toepassen van de Arbowet en de bedrijfsvoorschriften inzake veiligheid, gezondheid en welzijn binnen zijn unit c.q. team.

De leidinggevende heeft daarom de volgende taken:

  1. De leidinggevende geeft aan zijn medewerkers taakgerichte instructie, voorlichting en onderricht over veilig en gezond werken en geeft aan welke middelen, waaronder persoonlijke beschermingsmiddelen, hierbij gebruikt worden.
  2. De leidinggevende geeft nieuwe medewerkers alle informatie, die zij nodig hebben om hun werk veilig en gezond te kunnen verrichten.
  3. De leidinggevende houdt toezicht op het hanteren van alle afgesproken regels op arbo gebied.
  4. De leidinggevende houdt bij het indelen van werk rekening met de individuele capaciteiten en ervaring van de medewerker.
  5. De leidinggevende zorgt dat er, ter voorkoming van gevaar voor derden, doeltreffende maatregelen worden genomen.
  6. De leidinggevende licht de directie in na een bedrijfsongeval.
  7. De leidinggevende registreert de ongevallen en bijna-ongevallen, analyseert ze en doet voorstellen ter voorkoming van de (bijna-)ongevallen.
  8. De leidinggevende voert met zijn medewerkers periodiek werkoverleg waarbij arbeidsomstandigheden een vast agendapunt is.
  9. De leidinggevende inventariseert binnen zijn team c.q. unit de knelpunten en lost deze zo mogelijk op. Lukt dit niet, dan meldt hij het knelpunt aan de directie.

De leidinggevende heeft de volgende bevoegdheden:

  1. De leidinggevende mag uit veiligheids- of gezondheidsredenen bepaalde werkzaamheden stoppen.
  2. De leidinggevende mag medewerkers, ook derden, van het werk verwijderen, indien door hen na herhaalde waarschuwingen onveilig of ongezond wordt gewerkt.
  3. De leidinggevende mag disciplinaire maatregelen treffen zoals verderop in dit arboreglement genoemd.
3
2.3.3 De Medewerker

De medewerker heeft de volgende taken inzake het naleven en toepassen van de Arbowet en de bedrijfsvoorschriften:

  1. De medewerker is verplicht de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen. Hij mag zichzelf en anderen niet in gevaar brengen.
  2. De medewerker dient machines, apparaten, gereedschap, transportmiddelen, grond- en hulpstoffen op de juiste manier te gebruiken.
  3. De medewerker dient de aangebrachte beveiligingen en voorzieningen op de juiste manier te gebruiken en in stand te houden.
  4. De medewerker dient de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken en te beheren.
  5. De medewerker dient de geldende instructies en aanwijzingen van de werkleiding in verband met de veiligheid en gezondheid op te volgen.
  6. De medewerker brengt de werkleiding direct op de hoogte als een onveilige situatie wordt opgemerkt, dan wel bepaalde beveiligingen moeten worden weggehaald, vervangen of veranderd.
  7. De medewerker is verplicht deel te nemen aan instructies, scholing en voorlichting alsmede het werkoverleg.

De medewerker heeft de volgende bevoegdheden:

  1. De medewerker mag het werk onderbreken indien dit naar zijn redelijk oordeel onmiddellijk dreigend gevaar oplevert. Hij meldt dit terstond bij zijn leidinggevende.
  2. De medewerker mag kennis nemen van de resultaten van de RI&E.